Hoe de Japanse oester naar Nederland kwam

De Japanse oester komt oorspronkelijk van de Aziatische kust aan de kant van de Stille Oceaan. Al vanaf 1880 wordt deze oester naar Australie, Nieuw-Zeeland, Noord-Amerika en Europa gebracht. In 1883 werden de eerste Japanse oesters vanuit Portugal naar Nederland gebracht, als proef om te kijken of ze ook hier gekweekt konden worden. We noemden dit toen de Portugeese oester. Deze zijn nu nog steeds een beetje anders van kleur en vorm dan de Japanse oester.

In de jaren ’60 kweekten we in Nederland vooral de Platte oester. Door overbevissing en de de Oesterziekte (Bonamiasis) werden deze oesters heel schaars. Om toch aan de vraag te kunnen voldoen werden er door de kwekers grote aantallen Japanse oesters naar Nederlands gehaald. De Japanse oester is een sterkere soort en ze dachten dat deze oester de oesterziekte wel zou kunnen overwinnen. Ze hadden alleen niet verwacht dat de Japanse oester zichzelf ook zou gaan voorplanten vanwege het koude zeewater. Niks bleek minder waar, halverwege de jaren zeventig vermenigvuldigden ze zich massaal!

De Japanse oester wordt ook wel de Creuse genoemd, dit is vanwege de holle en diepere vorm van de schelp. Dit is een ander type dan de Platte oester die we voor de jaren ’70 in Nederland kweekten. De Japanse oester is ideaal voor de kweek, ze planten zich namelijk al voort als ze één jaar oud zijn en groeien heel hard. De creuse weegt al na twee jaar zo’n 100 gram (zonder schelp), en is dan geschikt voor consumptie. Bij de platte oester duurt dit veel langer: een platte oester weegt pas na vier jaar zo’n 75 gram.

In de Waddenzee, Oosterschelde en de Grevelingen zie je daarom steeds meer Japanse oesters. Hoewel ze lekker zijn om te eten is niet iedereen blij met de komst van deze oester. De schelpen zijn namelijk vlijmscherp, je kunt je er makkelijk aan snijden. En op sommige plekken groeien nu zoveel oesters dat ze andere schelpdieren verdringen. Andere bodemdieren vinden er juist een veilig heenkomen en een stevige ondergrond.

Volgens anderen zou in de Waddenzee de opmars van de Japanse oester echter bijdragen aan het herstel van de mosselbanken die in de jaren 1990 geheel zijn opgevist. Mossels kunnen zich moeilijk in het kale zand vestigen, maar tussen de creuses blijken ze tegen de verwachting in goed te groeien.

We kunnen dus wel stellen dat de oesterziekte ons eigenlijk iets heel moois heeft gebracht. We hebben een nieuwe soort oester in Nederland die makkelijker te kweken is en daarnaast draagt deze oester ook nog bij aan het herstel van de mosselbanken. Hierdoor kunnen we dus nog meer genieten van onze lokale schelpdieren!